#shv28

Op 11 april 2017 is in Utrecht het 28ste actualiteitencongres schuldhulpverlening

vrijdag 22 februari 2013

Teruggeplaatst op veelvuldig verzoek: Opperpiet Rentinck

Regelmatig krijg ik de vraag de volgende tekst terug te plaatsen. Aangezien sprake is van een oudere tekst, werkt een aantal links niet meer. Sic transit gloria mundi!
Rentinck is naar mijn stellige overtuiging de eerste en de laatste oorzaak van de benoeming van de huidige aartsbisschop:

Opperpiet Rentinck maakte vanaf 1989 jarenlang feitelijk de dienst uit in het aartsbisdom, terwijl kardinaal Simonis ook publiek aan wie het maar wilde horen verklaarde, dat hij niet kon besturen (zonder dat Rome daarin aanleiding zag hem te vervangen) en zich in binnen- en vooral in buitenland bezighield met representatieve diensten onder gebruikmaking van de bijpassende attributen van staf en mijter.

Opperpiet hield wel van besturen, graag en veel, en gebruikte alle macht aan het bisschoppelijke ambt verbonden, waarbij hij geleidelijk aan steeds verder van de Wereldkerk kwam te staan en alleen geloofde in een “missionaire lekenkerk”. Opperpiet kleedde en kleedt zich in strijd met de kerkelijke voorschriften niet als priester. Piet heeft niet zoveel op met regels als deze concrete gevolgen voor zijn eigen handelen zouden moeten hebben. Kardinaal Simonis heeft daar nooit verandering in geurgeerd –evenmin als in de andere illiciete praktijken van Rentinck.

Priesters noch priester-kandidaten waren bij zijn beleid van belang. Er zijn priesters uit het bisdom vertrokken als gevolg van zijn machtspolitiek. Opperpiet was dol op pastoraal werkers die hij toen hij eenmaal aan het clusteren was geslagen stelselmatig tot teamleider benoemde, terwijl binnen het team ook priesters waren benoemd. Opperpiet organiseerde op 17 novemer 2008 in Utrecht ook een plechtigheid voor de opname in "de diocesane kring van pastoraal werkers in het aartsbisdom" - die in het aartsbisdom geen parallelle clerus waren maar de opperclerus vooral in de relatie met orthodoxe priesters die bij Opperpiet altijd aan het kortste eind trokken, waarbij liegen en bedriegen geen uitzondering maar norm waren en Simonis en Opperpiet het ook doodnormaal vonden om pater Kotte een kerkelijke begrafenis te onthouden en in strijd met de waarheid bleven volhouden dat hij gesuspendeerd was.

Van medezeggenschap van werknemers hield Opperpiet ook niet; er was er maar een de baas en dat was hij. In strijd met de wettelijke verplichting had de veel te grote hoeveelheid medewerkers van het bisdom dan ook geen Ondernemingsraad, die door de nieuwe bisschop ijlings werd ingesteld aangezien dat voor een collectief ontslag noodzakelijk was. Zie “Medezeggenschap aan de Maliebaan”, “Financiële reorganisatie aartsbisdom schrijdt voort”.

De structuur van het bisdom werd op kostbaar advies van Rijnconsult (recent verslagen door Nadja Jungmann bij toekenning van de ROA Impact prijs) ingrijpend herzien en vervangen door een bisdombestuur waarin de dekens –doorgaans heterodoxe vriendjes van Opperpiet de dienst uitmaakten.

Voor de reorganisatie van de parochies schreef en ondertekende niet de bisschop maar Opperpiet de beleidsnota “Profileren in het pastoraat, waarna kardinaal Simonis ook wat dit betreft deed alsof zijn neus bloedde, Rome vond dat de nota moest worden aangepast (hetgeen nooit is gebeurd) en Opperpiet rücksichtslos doorging met de implementatie. Hoe gekker de naam van het nieuwe parochieverband hoe beter, zie “De lamentabele erfenis van Opperpiet”. In ieder geval in Utrecht Stad werd inmiddels de verclustering deels ongedaan gemaakt, zie “Afbraak Utrechts parochieverband van architect Rentinck”. Van de nota “Profileren in het pastoraat” zijn op internet nu al de sporen praktisch verdwenen. Mijn suggestie destijds om alle beleidsnota’s van Opperpiet plechtig te verbranden, heeft zich virtueel al voltrokken. Sic transit gloria mundi!

Wie toch nog wat van de Rentinckse larie wil lezen, kan terecht op deze link van het “werkverband kerkelijk opbouwwerk”, waarbij door Rentinck onder meer openlijk wordt uitgedragen dat de regelmatige kerkganger kan doodvallen en de buitenstaander het doel is, zoals in 2008 trouwens nog de norm was bij de geld verslindende actie die aanspoorde tot onwaardige communies met Kerstmis, “Welkom thuis”. Rentinck had niet alleen lak aan het gewijde ambt maar ook aan de kerkgetrouwe gelovige, omdat zij niet de doelgroep van de door hem bedachte missionaire kerk zijn, waarbij hij ook nog pretendeerde dat hij persoonlijk had uitgevonden dat de Kerk missionair was kennelijk met voorbij gaan aan het “Gaat en onderwijst alle volkeren”. Nu waren onderwijzen en onderhouden van geboden geen speerpunten in het beleid van Rentinck; het bisdom was een grote sociale werkplaats voor hem en zijn linkse vriendjes waarbij niet zelden orthodoxe gelovigen structureel werden gesard en steeds in de steek werden gelaten en het in generaties vergaarde vermogen door de schoorsteen werd gejaagd. Kardinaal Simonis stond erbij en keek ernaar – voor zover hij niet op dienstreis was. Zie ook "Verheugd en dankbaar verdwijnend onder de golven".

Geld speelde geen rol zodat bij aantreden van de opvolger van Simonis en in diens woorden “het bisdom technisch failliet was”. De arrogantie en de wanen van het oude regime zijn trouwens goed te lezen in bijgaand KN-artikel over de bezuinigingen in 2005, door het KN critiekloos overgenomen in een tijd dat alle insiders beter wisten. In die periode werd voor goud geld door Opperpiet c.s. advies van bureau Berenschot ingewonnen over de financiele reorganisatie waaruit een voorstel voortkwam dat twee jaar later naar de prullenmand kon worden verwezen omdat het niet bleek te werken. Voor bezuinigen heb je geen adviesbureau maar je eigen hersens nodig en de hand op de knip. Wie zich verder wil verbazen leze bijgaande uitgave van het aartsbisdom "Protocol voor pastoraat bij agrarische rampen", eveneens met opdracht van het aartsbisdom aan bureau Berenschot. Wat zou toch de persoonlijke relatie zijn tussen (medewerkers van) Opperpiet en (medewerkers van) dat bureau. Zo werd Uw kerkbijdrage omgezet in winstaandeel van de maten van een duur adviesbureau. In tijd van recessie is het zeker goed je af te vragen of donaties aan de Kerk goed worden besteed.

Ook van de diocesane administratie maakte Opperpiet een chaos, zie “Aan de Maliebaan werd nauwelijks gearchiveerd”, waarbij ik vermoed dat met zekere selectiviteit stukken zijn verdwenen hetgeen naar mijn persoonlijke observatie bij andere bisdommen ook wel voorkomt, reden waarom het aanbeveling verdient brieven aan bisschoppen steeds aangetekend met ontvangstbevestiging te verzenden dan wel bij deurwaardersexploit te laten uitreiken.

Niet weinigen menen dat het aggraverend gedrag van Opperpiet samenhangt met het feit dat hij geen (hulp)bisschop is geworden, kennelijk omdat Rome geleidelijk ook wel door had welk vlees men in de kuip had, maar ervoor koos priesters en andere gelovigen ter plaatse nog minimaal een decenniumpje te laten doorlijden – Roma mora!

Na de benoeming van de nieuwe bisschop werd direct duidelijk dat het regime Rentinck voorbij was. De linkse sectie inclusief kardinaal Simonis stond op haar achterste poten en intrigeerden (bijvoorbeeld in het kader van de kwestie Sinselmeijer), waar zij maar konden om de nieuwe bisschop voor de voeten te lopen– maar daarover schrijf ik later. Zou Rome dat ontslag als voorwaarde hebben gesteld? Zie ook de meest bekeken bijdrage tot heden “De steppe zal bloeien”, “Exit Opperpiet”, “Dag Opperpietje, da-ag, da-ag”, “Opperpiet revisited”, “Laatste stuiptrekking van Opperpiet

Inmiddels werden de dekens ontslagen om te worden vervangen door regiovicarissen (zie Utrechtse dekens krijgen de status van Jan zonder land), de diakenopleiding opgeheven, en zijn pastoraal werkers niet langer teamleider. Nagedacht wordt of de kwijnende priesteropleiding in de vorm het Ariënsconvict (opgezet onder leiding van Opperpiet en doorgaans vlees noch vis) als zodanig moet worden opgeheven onder het stichten van een nieuwe opleiding in de Dijnselburg. Hulpbisschop De Korte die als product van de dubieuze priesteropleiding van het Ariensconvict kan worden beschouwd als de geestelijke zoon van Rentinck (inclusief diens afwijzing van de R.K. theologie) werd door de nieuwe bisschop terecht op afstand gehouden uit het bisdombestuur totdat hij kon doorschuiven naar zijn ballingsoord Groningen-Leeuwarden.

Opperpiet is nu pastoor van een parochie in Utrecht. Opmerkelijk is dat Rentinck als vg steeds weigerde pastoors “pastoor” te noemen en alleen maar over “pastores” sprak, waaronder in zijn terminologie (in strijd met de kerkelijke voorschriften) ook pastoraal werkers vielen, maar nu hij zelf pastoor is, die aanduiding wel op de parochiele website gebruikt teneinde toch even aan te geven dat hij een streepje meer is dan de twee pastoraal werkers. Op de parochiele website worden trouwens de twee pastoraal werk(st)ers nog wel aangeduid als “pastor”. De Utrechtse lente is hier kennelijk nog niet doorgedrongen. Niet zo sterk dat de huidige bisschop daar niets aan doet, zeker ook een kwestie van prioriteiten of zou er niets tegenover staan want dat werkt het beste om de aartsbisschop in beweging te brengen.

Er gaan geruchten dat Opperpiet thans een transfer naar Groningen-Leeuwarden overweegt onder het stichten van een enclave van dat bisdom ter plaatse van zijn woning in Utrecht die eigendom is van het aartsbisdom maar waaruit hij niet wil vertrekken na zijn ontslag als vicaris-generaal, hoewel dat bij een ambtswoning wel zo hoort. Regels gelden niet voor Opperpiet. Daarmee sloeg hij alleen anderen om de oren als dat zo uitkwam– hetgeen in het kerkelijk milieu wel vaker voorkomt steeds onder het toewensen van “Gods rijkste zegen”.

Het belang van de Kerk en de zielzorgelijke noden van de gelovigen speelden bij het beleid van Rentinck geen rol: het ging om de platte macht, erop gericht de Kerk opnieuw uit te vinden naar de opvattingen en pesoonlijke frustraties van Rentinck, desnoods over lijken (waarbij de nieuwe aartsbisschop geen enkele haast heeft om de slachtoffers van het oude regime recht te doen, tenzij hij daar zelf beter van wordt, aangezien hij wel leraar is maar geen herder).

We hoeven niet meer te wachten tot de geschiedenis zal oordelen over de verdiensten van Opperpiet. Dat is al gebeurd. Hij behoort nu tot de oude mensen en de dingen die voorbij gaan. Deze week wordt Opperpiet 70 jaar. Misschien dat zijn vriend Gerard met steun van Laetitia in de zendtijd van zijn vrienden bij de KRO daaraan nog een gevoelig gedachteniswoord kan wijden.
Er zijn mensen die met het voortschrijden der jaren zich gaan afvragen, of zij het in hun leven wel zo goed hebben aangepakt. Die reflectie lijkt voor Opperpiet geen luxe. Misschien ziet hij daarin zelfs reden te gaan biechten, als tenminste dat sacrament in zijn zelfbedachte theologie nog een plaats heeft.