maandag 4 februari 2013

Deurwaarder moet worden verboden om te dreigen met een klappertjespistool

Zienswijze Mevrouw Mr. H.D.L.M. (Erica) Schruer voor hoorzitting beslag roerende zaken Vaste Kamercommissie Veiligheid en Justitie Tweede Kamer op 7 februari 2013

Mede namens Mevrouw Dr. Nadja Jungmann leg ik de volgende zienswijze aan U voor:

1. Bestaande regelgeving moet worden herzien
De huidige wettelijke regeling voor beslag roerende zaken van de artikelen 447 en 448 Rv is obsoleet en moet in onze visie dringend bij de tijd worden gebracht niet alleen vanuit het belang van beslagdebiteuren maar ook vanuit het algemeen belang dat in Nederland ook de beslagwetgeving voldoet aan de daaraan in redelijkheid te stellen eisen, ook afgezet tegen de wijze waarop in de ons omringende landen beslag op roerende zaken is geregeld.

2. In welke zin zou herziening moeten plaatsvinden?
In artikel 295 Fw is een voor de insolventiepraktijk bruikbaar begrip “niet bovenmatige inboedel” gedefinieerd dat in onze visie ook goed bruikbaar zou zijn buiten geval van insolventie, waarbij zo nodig , indien wordt gekozen voor verdergaande invulling van het begrip “niet bovenmatige inboedel”, concrete richtlijnen kunnen in een AMvB worden gegeven.

3. Geen koppeling wetsherziening beslag roerende zaken en schuldhulp gewenst:
De noodzaak dat de regeling in algemene zin bij de tijd moet worden gebracht, staat los van de vraag of een debiteur al dan niet een beroep doet op schuldhulpverlening in het minnelijk traject. Wij wijzen om die reden optie 2 af genoemd in het (zeer doorwrochte en prijzenswaardige) preadvies van de KBvG “Herziening van het beslagverbod roerende zaken”. Behalve dit principiële bezwaar signaleren wij voorts, dat op vele plaatsen in Nederland ondanks de op 1 juli 2012 in werking getreden Wet gemeentelijke schuldschuldhulp de toegang tot schuldhulphulp feitelijk niet overal even laagdrempelig is. In de eerste plaats doordat er op verscheidene plekken (nog steeds) sprake is van wachtlijsten. In de tweede plaats doordat gemeenten om de goede redenen de toegang tot schuldhulp selectiever maken (geen aanbod aan de groep voor wie een schuldregeling niet met succes is te doorlopen). Daarnaast zien we ook gemeenten de toegang beperken om budgettaire redenen (bezuinigingen). Het gevolg is dat een directe link naar schuldhulp in de praktijk lang niet altijd haalbaar is.

4. Problematiek huidige praktijk beslag roerende zaken:
Het voornaamste knelpunt in de actuele praktijk is dat deurwaarders en opdrachtgevers met beslag roerende zaken dreigen en zelfs beslag roerende zaken leggen in gevallen waarin objectief geen netto (dat wil zeggen na aftrek van kosten) opbrengst van deze actie is te verwachten maar waarin wordt beoogd de debiteur daardoor te bewegen tot meer-betaling dan waartoe deze in staat is. In mijn eigen praktijk heb ik meegemaakt hoe mensen niet alleen diep ongelukkig maar radeloos werden van beslag roerende zaken dat zich uitstrekte over het koffiezetapparaat en de vitrage, waaraan door medewerkers van het deurwaarderskantoor telefonisch werd toegevoegd dat de executoriale verkoop op de aangegeven dag zou worden doorgezet. De Rechtbank Rotterdam was in dit geval overigens bereid op een termijn van enkele uren een kort geding te bepalen bij aanzegging waarvan de deurwaarder direct afdroop.

Gevolg van deze pressie is dat debiteuren ofwel worden genoopt om andere crediteuren van dezelfde of hogere rang te kort te doen ofwel betalingsregelingen aanbieden waarvan het gevolg is dat zij moeten leven van een lager bedrag dan de beslagvrije voet ofwel een beroep doen op derden om de schuld voor hen te betalen.

In al deze gevallen bevoordeelt de beslaglegger zich door het (dreigen met) een speelgoedwapen respectievelijk ten laste van de andere crediteuren, de debiteur of de relaties van de debiteur. Bij een bankoverval maakt het niet zoveel uit wanneer de dader gebruik maakt van een speelgoedpistool zolang de medewerker aan het loket denkt dat hij met de dood wordt bedreigd en dan bereid is om ook wat hij niet heeft af te geven om het vege lijf te redden. De
ze praktijk achten wij zeer ongewenst.

5. Vertroebeling door tariefafspraken tussen opdrachtgevers en deurwaarders:
Onder invloed van marktwerking is voorts een praktijk ontstaan waarbij voorkomt dat de deurwaarder aan de opdrachtgever niet de kosten volgens het Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders (Btag) in rekening brengt maar een lager bedrag terwijl de debiteur wel wordt genoopt volgens Btag te betalen en de opdrachtgever het verschil incasseert. Op deze manier wordt het leggen van een zinloos beslag tot een verdienmodel met bovenmatige kostenvergoeding. Deze praktijk achten wij ongewenst.

6. Onbekendheid van opdrachtgevers met gelegd beslag roerende zaken:
Mijn ervaring is dat opdrachtgevers niet zelden schrikken wanneer zij worden geconfronteerd met het proces verbaal boedelbeslag en lezen op welke inboedelbestanddelen in hun opdracht door de deurwaarder beslag is gelegd (tot en met kinderspeelgoed aan toe). Als regel geeft de opdrachtgever een algemene opdracht aan de deurwaarder waarin toestemming tot het leggen van beslag roerende zaken besloten ligt en waarbij er geen afzonderlijk overleg plaatsvindt (en tot nu toe ook niet is vereist) om beslag roerende zaken te leggen. Wij achten ongewenst dat een opdrachtgever de gelegenheid heeft zich te verschuilen achter een blanco-incassomandaat waaraan de deurwaarder vervolgens de bevoegdheid ontleent om middels intimidatie met speelgoedwapens meeropbrengst te genereren ten opzichte van de situatie waarbij opbrengsten volgens de rechtens geldende regels worden verdeeld zonder loze dreiging de inboedel te verkopen.

7. Hoe kunnen de problemen in de uitvoeringspraktijk worden opgelost?
De KBvG zou vooruitlopend op de wetswijziging met gebruikmaking van haar verordenende bevoegdheid regels moeten geven over de inzet van het beslag roerende zaken

waarbij de opdrachtgever wordt genoopt hiertoe per geval uitdrukkelijk opdracht te geven en
waarbij voorafgaand door de deurwaarder schriftelijk een prognose moet worden gegeven van de opbrengst (zo nodig op basis van vuistregels ontleend aan de beschikbare inkomensinformatie als indicatie van de waarde van de inboedel) en
waarbij de deurwaarder niet is toegestaan beslag roerende zaken te leggen, indien van die actie niet in redelijkheid netto opbrengst te verwachten is en
waarbij is verboden dat debiteuren een hogere vergoeding betalen voor ambtelijke verrichtingen dan het bedrag dat feitelijk door de deurwaarder aan de opdrachtgever wordt berekend, zo nodig onder aanpassing van de algemeen geldende regels voor de afspraken tussen opdrachtgevers en deurwaarders.

Bijkomend voordeel van deze praktijk is dat ook toezichthouders op institutionele opdrachtgevers als zorgverzekeraars, het CJIB, en telefoonproviders kunnen worden gedwongen zich erover uit te spreken in hoeverre zij toelaatbaar achten dat door crediteuren beslag wordt gelegd op niet bovenmatige inboedel. Terzijde merken wij daarbij op dat de omstandigheid dat onder de vlag van V&J door het CJIB “no cure, no pay”-afspraken worden gemaakt met deurwaarders in dit kader een typisch voorbeeld is van een perverse prikkel waarbij de deurwaarder wordt aangespoord om ook wat er niet is te incasseren, niet voor de crediteur maar voor zichzelf en de opdrachtgever in zijn vermogen geen schade ondervindt wanneer er zinloos beslag roerende zaken wordt gelegd.