woensdag 28 november 2012

Rechtbank Rotterdam tikt KBR op de vingers wegens onder meer schending NVVK Gedragscode

De kwalificatie puinbak is nog veel te mild voor de wijze waarop de Kredietbank Rotterdam in het gepubliceerde geval een debiteur verder in de problemen heeft geholpen. Blijkens het vonnis van 24 oktober 2012, gepubliceerd op 21 november 2012, LJN BY3650 is de Rechtbank Rotterdam er eens echt voor gaan zitten om het handelen van de KBR in een bepaald dossier te fileren:

"2.12 SoZaWe 
Voorts hebben [eisers] de Kredietbank verweten dat zij bepaalde schuldeisers hebben laten prevaleren boven andere. Zo heeft de Kredietbank een vordering van de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SoZaWe) ad € 996,34 volledig voldaan, terwijl andere schuldeisers geen betaling hebben ontvangen en met incassomaatregelen dreigden, aldus [eisers] De verklaring van deKredietbank hiervoor is dat de schuld aan SoZaWe, die volgens de Kredietbank het gevolg is van door [eisers] gepleegde fraude, een contra-indicatie voor schuldregeling vormde en om die reden zo snel mogelijk diende te worden voldaan. 
Naar het oordeel van de rechtbank is de verklaring van de Kredietbank voor het met voorrang boven alle andere schulden, volledig voldoen van de vordering van één specifieke, nauw aan deKredietbank gelieerde overheidsinstelling onvoldoende. Relevant bij dat oordeel is dat uit artikel 4.3 van de (toelichting op de) Gedragscode schuldregeling (productie 57 conclusie van antwoord) volgt dat het uitgangspunt bij de schuldregeling is de gelijkberechtiging van alle schuldeisers. Uit de Gedragscode volgt niet dat bepaalde vorderingen, vanwege een contra-indicatie, met voorrang mogen worden voldaan. Mogelijk staat een schuld als hier aan de orde (aan het SoZaWe verband houdend met door de schuldenaar kennelijk gepleegde fraude) in de weg aan schuldregeling, maar dat rechtvaardigt niet zonder meer de integrale betaling daarvan. Het had op de weg van deKredietbank gelegen om deze kwestie met [eisers] te bespreken alvorens tot betaling over te gaan. Dat geldt zeker nu sprake is van een ongerechtvaardigd gebleken onderscheid tussen de schuldeisers. Ook volgens de eigen stellingen van de Kredietbank was immers sprake van nog een schuld met een contra-indicatie, te weten de schuld aan het CJIB. [eisers] hebben aangevoerd dat zij een groot belang hadden bij de aflossing van deze schuld omdat [eiser 1] bij het uitblijven van betaling zijn rijbewijs dreigde te verliezen en hij van dat rijbewijs afhankelijk was voor zijn inkomen. Een redelijk handelend en redelijk bekwaam schuldhulpverlener had dit besproken met de klant en de klant tenminste deugdelijk geïnformeerd maar in beginsel ook laten meebeslissen over de wijze waarop met deze schulden in het kader van de schuldregeling zou worden omgegaan. Dit geldt temeer nu het de Kredietbank als professioneel schuldhulpverlener in een vroeg stadium duidelijk had kunnen en moeten zijn dat het waarschijnlijk in het geheel niet tot schuldregeling zou komen vanwege de beperkte inkomsten van [eisers] In die wetenschap hadden [eisers] het door de Kredietbank aan SoZaWe betaalde bedrag mogelijk (mede) voor de aflossing van (een) andere schuld(en) willen inzetten dan wel andere afwegingen willen maken (bijvoorbeeld ten aanzien van de reserves en de kennelijk buiten de budgethulpverlening gebleven andere inkomsten). Gesteld noch gebleken is dat deKredietbank [eisers] deugdelijk heeft geïnformeerd. De Kredietbank heeft hiermee niet als redelijk handelend en redelijk bekwaam schuldhulpverlener gehandeld. Onduidelijk is evenwel of [eisers] door deze tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst tot schuldregeling schade hebben geleden. [eisers] hebben niet onderbouwd waaruit hun eventuele schade terzake bestaat. Zij hebben bij gelegenheid van de comparitie van partijen verklaard dat zij de vordering van het CJIB uiteindelijk zelf hebben betaald. 

2.13 Communicatie 
2.13.1 [eisers] verwijten de Kredietbank tevens dat zeer gebrekkig met hen is gecommuniceerd over de (voortgang van de) schuldhulpverlening. De Kredietbank heeft dat naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende betwist. Relevant voor dat oordeel is dat de Kredietbank heeft erkend dat pas in maart 2009 voor het eerst een overzicht is verstrekt aan [eisers] van de door haar namens [eisers] verrichte betalingen. Dit terwijl de Kredietbank met ingang van (in ieder geval) juli 2008 de inkomsten van [eisers] heeft beheerd. De Kredietbank heeft hiervoor geen geldige reden gegeven. De omstandigheid dat de Kredietbank haar technische systeem niet op orde had en daardoor niet eerder betalingsoverzichten kon verstrekken aan [eisers], komt voor rekening en risico van deKredietbank. Hiermee heeft de Kredietbank een essentiële, uit de schuldregelingsovereenkomst voortvloeiende verplichting verzaakt. Door het niet verschaffen van deze informatie is [eisers] immers het zicht op hun financiën en de wijze waarop hun inkomsten werden besteed gedurende lange tijd ontnomen. 
2.13.2 Voorts heeft de Kredietbank naar het oordeel van de rechtbank de uitvoering van het budgetbeheer en de schuldhulp onvoldoende op elkaar afgestemd. Vast staat dat de Kredietbank in afwachting van een mogelijke schuldregeling een reserve heeft aangehouden van circa € 3.000,- à € 5.000,-. Dat is een relatief hoog bedrag, terwijl het voor de Kredietbank, zoals hiervoor reeds is overwogen, vrij snel duidelijk heeft moeten zijn dat schuldregeling vermoedelijk niet mogelijk zou zijn vanwege het beperkte inkomen van [eisers] Het aanhouden van een reserve tot het hier genoemde bedrag was dan ook redelijkerwijs niet in het belang van [eisers] en hun gezamenlijke schuldeisers te achten. Ter comparitie heeft de Kredietbank ook erkend dat het oog op schadebeperking eventueel wel wat betaald had kunnen worden uit het reservebedrag, maar dat niet is gebeurd. Het afstemmen van budgetbeheer en schuldregeling mocht [eisers] redelijkerwijs verwachten. Gebreken daarin (van organisatorische, administratieve of technische aard) komen voor risico van de Kredietbank. Zij kan die niet aan [eisers] tegenwerpen. De rechtbank oordeelt dat de Kredietbank in zoverre niet heeft gehandeld zoals van haar als redelijk handelend en redelijk bekwaam schuldhulpverlener mocht worden verwacht. 
2.13.4 Vast staat voorts dat het tot september 2009 heeft geduurd voordat [eisers] weer over hun inkomen konden beschikken, hoewel de overeenkomst tot budgetbeheer in ieder geval begin juli 2009 was beëindigd; volgens [eisers] dateert de beëindiging zelfs van eind maart 2009. Ook daarmee heeft de Kredietbank niet de zorgvuldigheid betracht die van haar als redelijk handelend en redelijk bekwaam schuldhulpverlener mocht worden verwacht. Aannemelijk is dat [eisers] door de hiervoor bedoelde tekortkomingen van de Kredietbank zekere schade hebben geleden. In zoverre zullen de vorderingen dan ook worden toegewezen. 
2.13.5 Tenslotte treft de Kredietbank een verwijt van de gebrekkige communicatie rond de mededeling van mevrouw [eisers] in maart 2009 dat [eise[eisers] uit de woning was vertrokken. DeKredietbank heeft niet onderbouwd dat of waarom zij hieruit in redelijkheid mocht begrijpen dat [eiser 1] de woning voorgoed had verlaten en de samenwoning met [eiser 2] definitief had beëindigd. Daarbij is meegewogen dat uit de opstelling van [eisers] duidelijk moet zijn geweest, dat [eisers] meende dat nog steeds sprake was van gezinsverband en dat [eisers] verwachtte dat ook nota’s van meneer [eisers] betaald zouden worden. De Kredietbank heeft ook nooit aan [eisers] nadere informatie gevraagd over of schriftelijke bevestiging van de door haar veronderstelde “scheiding”. Door daar toch van uit te gaan heeft de Kredietbank voor onnodige onduidelijkheid bij [eisers] gezorgd over de voortzetting van de schuldhulp, terwijl het gehele traject van de schuldhulp toch al erg onoverzichtelijk en ondoorzichtig verliep. Dat moet de Kredietbank worden toerekend. 
2.13.6 Voldoende aannemelijk geworden is dat [eisers] door de hiervoor onder 2.12 en 2.13.1 tot en met 2.13.5 bedoelde tekortkomingen in de nakoming van de overeenkomsten tot budgetbeheer en schuldregeling schade heeft geleden. De rechtbank begroot deze schade op basis van de thans beschikbare stukken op tenminste € 3.000,- die voor vergoeding in aanmerking komt. Het gaat dan om de gevolgen van het uitblijven van het schadebeperkend handelen, in het bijzonder het niet tijdig en goed informeren, het te lang aanhouden van een te hoog reserveringsbedrag en het te laat vrijgeven daarvan. Dat bedrag zal bij dit vonnis worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 1 september 2009, met ingang van welk moment de schade geacht wordt te zijn geleden door [eisers] 
Dat meer schade is geleden is aannemelijk, doch de vaststelling daarvan zal nader debat en vermoedelijk bewijslevering vergen. De rechtbank zal de zaak daarom in zoverre naar de schadestaat verwijzen en geeft partijen in overweging daaromtrent in overleg te treden. Dat betekent dat de vordering van [eisers] tot het bepalen dat de Kredietbank jegens hen aansprakelijk is en tot veroordeling van de Kredietbank in de als gevolg daarvan door [eisers] geleden schade op te maken bij staat toewijsbaar is, en wel op de wijze als in het dictum weergegeven".

Naschrif:
Onbegrijpelijk en bijzonder onprofessioneel is ook dat de KBR deze kwestie niet in der minne en met geheven hoofd heeft opgelost door een vergoeding te betalen
voor de veroorzaakte schade.