zondag 4 maart 2012

Drie jaar = drie jaar "Een knap staaltje van redelijke wetsuitlegging"

Van cassatieblog:

"De gevolgen van de toepassing van de schuldsaneringsregeling (zoals het in de boedel vallen van verkregen goederen) eindigen direct na afloop van de termijn die voor de betrokken schuldsanering geldt (drie of ten hoogste vijf jaar). De schone lei treedt wel pas in werking nadat de slotuitdelingslijst verbindend is geworden. 

In deze zaak had de schuldenaar de schuldsanering doorlopen. Na drie jaar had de rechtbank de schone lei verleend. Maar de bewindvoerder maakte niet “onverwijld” de slotuitdelingslijst op; toen vier maanden na het vonnis de moeder van de schuldenaar overleed, was er nog geen slotuitdelingslijst. De rechter-commissaris en de rechtbank oordeelden dat de schuldsanering nog niet was geëindigd en dat daarom dat de erfenis in de boedel viel. De rechtbank voegde daaraan toe dat, ook als de slotuitdelingslijst er wel was geweest, de erfenis nog steeds als nagekomen bate in de zin van art. 194 Ften goede van de schuldeisers zou zijn gekomen. 

Dat klinkt nogal onredelijk. Natuurlijk, de schuldsaneringsregeling is een tegemoetkoming aan schuldenaren ten koste van hun schuldeisers, en de schuldenaren moeten er dan ook volledig meewerken dat de schuldeisers zo veel mogelijk worden voldaan. Maar de uitleg die de rechtbank aan de wet geeft, zou tot rechtsongelijkheid leiden waar de schuldenaar niets aan kan doen, omdat de afwikkeling van de schuldsanering na het vonnis buiten zijn macht plaatsvindt. Helaas is de schuldenaar niet tegen deze beschikking opgekomen. De procureur-generaal (lees: advocaat-generaal mr. L. Timmerman) deed dat wel, in het belang der wet.
De Hoge Raad is het met mr. Timmerman eens: het was de bedoeling van de wetgever om drie jaar echt drie jaar te laten zijn. Om tot die uitkomst te komen, is wel een knap staaltje “redelijk wetsuitleggen” nodig:
“Een en ander geeft voldoende grond om aan te nemen dat voor de toepassing van de tweede afdeling van titel III F. – welke afdeling de gevolgen van de toepassing van de schuldsaneringsregeling regelt – de schuldsanering eindigt door het aflopen van de termijn die ingevolge art. 349a voor de betrokken schuldsanering geldt.
Dit heeft onder meer tot gevolg dat bij de verkrijging door de schuldenaar van goederen na afloop van die termijn, het bepaalde in art. 295 lid 1 niet geldt en dat zulke verkrijgingen dus niet tot de in dat artikel bedoelde boedel behoren.
Daarnaast komt aan de beëindiging van de schuldsaneringsregeling als bedoeld in 356 lid 2 de betekenis toe dat zij het einde van de afwikkeling van de schuldsanering markeert, waaronder de vereffening van de boedel, en het in werking treden van de in art. 358 lid 1 F. bedoelde schone lei (indien en voorzover van toepassing).”