maandag 25 juli 2011

Vordering Jeugdzorg gekort wegens bewust vertragen incasso tijdens Wsnp

"Instantie voor jeugdzorg (inmiddels genaamd Juvent, opmerking hs) dringt gedurende de wettelijke schuldsanering bewust niet aan op betaling van de verplichte onderhoudsbijdrage voor een uit huis geplaatste dochter. Nadat de schuldsanering met een schone lei was geëindigd vordert de instantie voor jeugdzorg betaling van het inmiddels tot € 3.351- opgelopen bedrag. Dat is in strijd met eisen van redelijkheid en billijkheid (art. 6:2 BW) De instantie voor jeugdzorg had zich de belangen van de schuldenaar moeten aantrekken en van haar kant tijdens de schuldsanering moeten aandringen op ruimte in het aan de schuldenaar vrijgelaten bedrag voor het betalen van de verplichte onderhoudsbijdrage. Deze bijdrage moet op één lijn worden gesteld met kinderalimentatie. Het is billijk dat de helft van de vordering als schade van onrechtmatige passiviteit wordt verrekend".


Uit de uitspraak:
"AZZ heeft gedurende de wettelijke schuldsanering ervan afgezien om aan te dringen op betaling van de kwartaalfacturen, omdat AZZ wist dat het vrijgelaten bedrag dat [gedaagde] wekelijks ontving van haar bewindvoerder slechts voldoende was voor haar eigen levens-onderhoud. Daarin was geen enkele ruimte om de kwartaalfacturen te betalen. Dit beseffende heeft AZZ bewust gewacht totdat de wettelijke schuldsanering was geëindigd. 
 
3. Nadat de schuldsanering was geëindigd op 3 april 2009 met een “schone lei”, bleek die lei toch niet zo erg schoon te zijn, want AZZ meldde zich aanstonds bij [gedaagde] met haar vordering ad € 3.351,96 en ging al snel tot dagvaarding over, aangezien [gedaagde] die vordering natuurlijk niet kon betalen. De wanhopige reactie van [gedaagde] in dit geding (“Neem mijn leven maar, dat is alles wat ik nog heb.”) is goed te begrijpen. Zij heeft meer dan drie jaren moeten leven op het absolute bestaansminimum in de hoop daardoor zonder schulden verder te kunnen met haar leven. Deze hoop is door de calculerende opstelling van AZZ in deze zaak vernietigd. Zij heeft opnieuw het vooruitzicht jarenlang op het bestaans-minimum te worden teruggeworpen teneinde de schuld aan AZZ af te betalen. Overigens bleek AZZ ter zitting niet bereid een betalingsregeling te treffen. AZZ wil gewoon een vonnis, want [gedaagde] moet alles tot de laatste cent betalen mèt rente en hoge kosten.
 
4. Hierin volgt de kantonrechter AZZ niet, want AZZ is jegens [gedaagde] tekortge-schoten door gedurende de schuldsanering niet aan te dringen op betaling van de bijdrage en zich niet bij de bewindvoerder van [gedaagde] te melden. Het moge zo zijn dat op de vordering van AZZ de schuldsanering niet van toepassing is, AZZ had er wel op kunnen en moeten aandringen dat in het vrijgelaten bedrag dat aan [gedaagde] ter beschikking werd gesteld, ruimte was voor het betalen van de bijdrage aan AZZ. Deze bijdrage moet op één lijn worden gesteld met kinderalimentatie en daarmee behoort rekening te worden gehouden bij het vaststellen van het vrij te laten bedrag.

5. Ter zitting is gebleken dat [gedaagde] haar bewindvoerder wel op de hoogte heeft gebracht van de bijdrage die zij aan AZZ moest betalen, zolang haar dochter in [een instelling] was geplaatst. Het was aanstonds duidelijk dat [gedaagde] die bijdrage niet kon betalen. De bewindvoerder heeft daarmee echter geen rekening gehouden en heeft de rechtbank niet verzocht om een hoger vrij te laten bedrag. [Gedaagde] heeft niet beseft dat AZZ het einde van de schuldsanering zou afwachten om haar dan te confronteren met een zeer aanzienlijk opgelopen vordering. Maar schuldeiser en schuldenaar zijn verplicht zich jegens elkaar te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid (art. 6:2, lid 1, BW). AZZ had zich daarom de belangen van [gedaagde] dienen aan te trekken en van haar kant moeten aandringen op ruimte in het vrijgelaten bedrag voor het betalen van de bijdrage. AZZ had [gedaagde] hierin moeten steunen, aangezien [gedaagde] als schuldenaar in de wettelijke schuldsanering in een zwakke positie was en kennelijk haar belangen onvoldoende assertief naar voren bracht. Aangenomen kan worden dat er tijdens de schuldsanering ruimte zou zijn gekomen om de bijdrage aan AZZ te betalen, wanneer dit op toereikende wijze onder de aandacht van de bewindvoerder en de rechtbank was gebracht, aangezien de bijdrage op één lijn moet worden gesteld met kinderalimentatie". (onderstrepingen hs).

Eerste commentaar:
De houding van de instelling van Jeugdzorg is in mijn visie weerzinwekkend en de bewindvoerder lijkt mij ook niet erg betrokken op de saniet. Het lijkt me hoog tijd voor de ex-saniet klachten in te dienen bij toezichthoudende instanties en voor de civiele rechter verdere schade te verhalen.

Ik schrijf ook dit op persoonlijke titel en niet in mijn hoedanigheid van advocaat! Elders zal ik deze uitspraak verder becommentarieren.