maandag 14 februari 2011

Turbulentie rondom wetsvoorstel gemeentelijke schuldhulpverlening; hoe een half ei dreigt te verworden tot een lege dop

Op 3 februari 2011 is de tweede nota van wijziging bij het wetsvoorstel 32 291 aan de Tweede Kamer gezonden.

In artikel 2 vervalt het vierde lid, waarin werd benoemd welke onderdelen de gemeenteraad moet opnemen in het plan voor schuldhulpverlening. Het plan wordt op die manier een vrije oefening waarin gemeenten de schuldhulpverlening op verschillende wijze kunnen en ongetwijfeld ook zullen gaan invullen. Hoe minder, hoe beter; de eerste klap is een bezuinigde daalder waard. Schuldhulpemigratie blijft daarmee voor wie verhuizing kan betalen (net als trouwens Wsnp-emigratie) een te overwegen optie. Ik acht het ongewenst dat er geen minimumvoorwaarden voor het plan worden benoemd onder het mom van flexibiliteit. Intergemeentelijke rechtsongelijkheid wordt hiermee in de hand gewerkt. Volgens dit principe zou je ook de bijvoorbeeld ook de WWB met een wetswijziging laten verworden tot een lege dop waarbij iedere gemeente individueel mag gaan bepalen hoe het geld wordt verdeeld en wie er nog wat krijgt.

In artikel 3 lid 2 wordt vervolgens geheel in strijd met het eerder gepostuleerde vrijheids-, blijheids- principe dat in artikel 2 de reden is de minimumeisen te laten vervallen toch een inhoudelijke bepaling gegeven. De gemeente kan schuldhulpverlening in ieder geval weigeren in geval een persoon “al eerder” gebruik heeft gemaakt van schuldhulpverlening.

Deze bepaling is in het licht van het schrappen van artikel 2 lid 4 nodeloos en zal in de hand werken dat gemeenten meer mensen niet helpen. In de praktijk van de Wsnp is de tien jaarstermijn van artikel 288 lid 2 sub d Fw zonder hardheidsclausule evident onrechtvaardig. Zie ook mijn eerdere bijdrage “Tien jaar wachttijd voor herhaalde toelating Wsnp zonder hardheidsclausule is veel te lang”.

In het minnelijk traject wordt echter in het wetsvoorstel niet eens een maximum wachttermijn genoemd; "al eerder" is in tijd niet afgebakend. Kennelijk laat de “vrijheids-, blijheidsbenadering” van dit kabinet ook toe iemand voor dertig of meer jaar uit te sluiten van schuldhulp en hem daarmee in de staat van Verelendung door te laten tobben (op het gevaar af dat daarmee het ontstaan van een onderklasse wordt bevorderd). Dat is pas echt bezuinigen! Ik schreef over dit heilloze voornemen dat sinds de verkiezingscampagnes in de lucht hing eerder: “Een termijn van tien jaar voor het minnelijk traject is moedwillige verlating van een hulpbehoevende (zie artikel 255 Wetboek van Strafrecht), omdat wij dan mensen in grote problemen gedurende een lange periode in de steek laten waarbij moet worden voorzien dat daardoor de familiedrama's en de diepe wanhoop die generaties doorwerkt zullen toenemen, vergelijk bijvoorbeeld het boek Het Pauperparadijs. Wij weigeren toch ook geen medische zorg aan mensen met longkanker of aan mensen die te dik zijn. Of komt dat nog in het "eigen schuld dikke bult"-tijdperk dat voor ons ligt?”

Verleden week zijn door de SP twee amendementen bij het wetsvoorstel 32 291 ingediend. Voorstel is dat er een nieuw artikel 4a komt waarin een zogenaamde breed moratorium mogelijk is indien dat noodzakelijk is in het kader van de schuldhulpverlening. Voor deze optie leek eerder een kamermeerderheid aanwezig te zijn maar ik moet nog zien of het CDA daarin persisteert gelet op een opmerking van Tweede Kamerlid Sterk de evaluatie van de pilot van de KBvG en de Kredietbank Nederland in Friesland te willen afwachten en de pilot waarvan niemand weet wat die inhoudt van de commerciĆ«le Stichting Preventie Problematische Schuldsituaties waarover sommige leden van de commissie aanvankelijk aan het jubelen sloegen als alternatief voor het LIS voordat zij wist waar het over ging. Zie ook mijn “Mededeling leden vaste Kamercommissie SZW – Urgent”

Het relevante gremium vertrouw ik ermee bekend dat ik geen voorstander ben van een breed moratorium in deze vorm, aangezien ik voorzie dat debiteuren en schuldhulp vervolgens zes maanden achteruit gaan leunen en schuldeisers in hun rechten worden bekort zonder daar iets voor terug te krijgen.

De SP heeft ook een amendement ingediend in de vorm van artikel 6a waarin een schuldeisers wordt verplicht binnen drie weken te reageren na een daartoe strekkend verzoek van de gemeente. Dit vind ik een interessante en originele gedachte die dan wel als pendant moet hebben dat ook de gemeente vervolgens binnen bepaalde termijnen actie moet ondernemen; in de huidige niet zelden deporabele toestand van de gemeentelijke hulpverlening voorzie ik dat zulks niet haalbaar is. Alleen maar crediteuren klem rijden en daarvoor niets teruggeven is in mijn visie even onevenwichtig als een breed moratorium.

Mij benieuwt ook of de staatssecretaris ermee gaat dreigen bij aanvaarding van de amendementen het wetsvoorstel –dat inmiddels toch al tot een praktisch lege dop is gemaakt- in te zullen trekken.

 In plaats van de beoogde "grote sprong voorwaarts" dreigt het voorstel op zijn best te zullen leiden tot "pas op de plaats" maar vermoedelijk tot het terugdraaien van de klok. Samen met Nadja Jungmann ben ik momenteel bezig een idee uit te werken, waarover U binnenkort onder meer op dit weblog nog meer zult horen, teneinde binnen het wetsvoorstel toch te kunnen komen tot invulling van het begrip schuldhulp zodanig dat ingezetenen meer wordt aangeboden dan een lege dop.

Voor alle documentatie bij het wetsontwerp, zie deze link