maandag 28 februari 2011

Vrijwilligers belangrijk voor schuldhulpverlening

"Vrijwilligers spelen een belangrijke rol bij schuldhulpverlening, schuldpreventie en thuisadministratie. Het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) en ANBO zijn verbaasd over de hoeveelheid taken die vrijwilligers daarbij uitvoeren. Zonder daarvoor te zijn opgeleid spelen ze een belangrijke rol bij het voorkomen en oplossen van geldproblemen. Dit blijkt uit onderzoek van het Nibud en ANBO onder vrijwilligers, waarmee voor het eerst in Nederland in beeld is gebracht hoe groot de rol is van de duizenden vrijwilligers op het gebied van schuldhulpverlening".

Vindplaats: Nibud

Plenaire behandeling wetsvoorstel gemeentelijke schuldhulpverlening verschoven

De pleinaire behandeling van het wetsvoorstel 32 291 Wet gemeentelijke schuldhulpverlening door de Tweede Kamer is verschoven naar week 10. Er wordt dan vergaderd op 9 en 10 maart 2011. Indien mogelijk ga ik er naar toe.

Zie parlement.nl

zaterdag 26 februari 2011

Bidprentje van mijn vader in dankbare herinnering


In dankbare herinnering aan
LAMBERTUS SCHRUER
echtgenoot van Petronella Maria Zoetmulder

geboren te Rotterdam op 31 augustus 1922
overleden te Oost-Souburg op 18 februari 2011
begraven op het R.K. Kerkhof Sint Laurentius te Rotterdam op 25 februari 2011

Als een rode draad liep door het leven van mijn echtgenoot en onze (schoon)vader zijn liefde voor en trouw aan degenen die hij in zijn hart had gesloten. Dat gold niet alleen ons maar voor vele anderen die hij op zijn lange levensweg ontmoette. Zijn sociaal bewustzijn kwam tot uiting in de zorg voor zieken en anderen die bescherming nodig hadden. Groot was ook zijn rechtvaardigheidsgevoel waarin hij zonder aanzien des persoons stond voor Waarheid en Gerechtigheid.

Zijn leven is getekend door de ervaringen in de Tweede Wereldoorlog, toen hij het bombardement van Rotterdam meemaakte en in 1944 als dwangarbeider werd weggevoerd naar nazi-Duitsland. Hij had een grote liefde voor Gods schepping en wist alles van planten en bloemen. Rotterdam was zijn stad en de Hildegardisparochie was zijn geestelijke thuishaven. Tientallen jaren ging hij als brancardier op bedevaart naar Lourdes, “de plaats waar hemel en aarde elkaar raken”.

Bij alles stond voor hem de verbondenheid met Christus en Zijn Kerk centraal. Daarvan getuigde hij dikwijls en met kracht. Hij leefde uit de sacramenten en de liturgie van de Kerk. Met kennis en toeleg diende hij de H. Mis en richtte hij het acolythencollege Pius X op. Met lede ogen maar in trouwe verbondenheid zag hij het verval van de Kerk in Nederland aan, dat zich onontkoombaar ook in zijn eigen omgeving manifesteerde. Hij was onophoudelijk –zelfs tot in de allerlaatste dagen- trouw in zijn persoonlijk gebed. In de moeilijke laatste levensfase waarin hij veel van zichzelf was verloren, is zijn geloof toch steeds zijn “stok en staf” (ps. 23,4) gebleven. Daarvoor zijn wij God dankbaar.

Bidden wij voor zijn zielerust met het gebed dat hij bij het bidden van de rozenkrans ontelbare malen heeft gezegd in onwankelbaar vertrouwen op zijn Verrezen Verlosser:

Wees gegroet, Maria, vol van genade. De Heer is met U.
Gij zijt de gezegende onder de vrouwen
en gezegend is Jezus de vrucht van Uw schoot.
Heilige Maria, Moeder van God, bid voor ons zondaars,
nu en in het uur van onze dood. Amen.

Wij zijn zeer dankbaar voor de vele blijken van medeleven en het gebed, die wij bij zijn ziekte en overlijden hebben mogen ondervinden.

P.M. Schruer-Zoetmulder
Erica Schruer
Bernadette en Ruud Cassee-Schruer

vrijdag 25 februari 2011


" Hem zonder vrees te dienen
                                                                            in vroomheid en gerechtigheid
                                                                            alle dagen van ons leven”
                                                                                                               Lucas 1, 74-75

Bedroefd maar in grote dankbaarheid voor al het goede dat wij van hem mochten ondervinden, geven wij u kennis dat, na te zijn gesterkt door het Heilig Sacrament der Zieken, van ons is heengegaan onze dierbare echtgenoot, vader en schoonvader

LAMBERTUS SCHRUER,
echtgenoot van Petronella Maria Zoetmulder,

geboren te Rotterdam op 31 augustus 1922,
overleden te Oost-Souburg op 18 februari 2011,

begiftigd met de pauselijke onderscheiding Pro Ecclesia et Pontifice‎,
en de pauselijke ridderorde van Sint Silvester,
titulair lid van de Aartsbroederschap van Onze Lieve Vrouw van Lourdes,
drager van de eremedaille in goud, verbonden aan de Orde van Oranje Nassau,
drager van de Gouden Jacobstaf van Scouting Nederland,
en begiftigd met de Karl Landsteiner Penning van het Rode Kruis

P.M. Schruer-Zoetmulder

Erica Schruer
Bernadette en Ruud Cassee-Schruer

De H. Mis van Requiem zal worden opgedragen in de Sint Hildegardiskerk aan de Blommersdijkselaan te Rotterdam op 25 februari 2011 om 11.00 uur. Aansluitend zal omstreeks 13.00 uur de begrafenis plaatshebben op de R.K. Begraafplaats Sint Laurentius aan de Nieuwe Crooswijkseweg 123 te 3034 PN Rotterdam. Na de begrafenis is er gelegenheid om de familie te condoleren in de ontvangstruimte van de begraafplaats.

Geen bezoek en geen toespraken

Correspondentie-adres:
H.D.L.M. Schruer
Bergsingel 249
3037 GW Rotterdam

maandag 14 februari 2011

Wijzer in schuldpreventie - schuldpreventiewijzer

"In de afgelopen jaren hebben diverse gemeenten en schuldhulpverlenende organisaties het inzicht dat preventie belangrijk is omgezet in daden. Deze pioniers van preventie hebben inmiddels een bruikbaar en divers arsenaal aan preventie-instrumenten ontwikkeld. Een van de kenmerken van pionieren is dat ontwikkelingen vaak parallel plaatsvinden. Zo ook bij schuldpreventie. Vergelijkbare instrumenten werden op verschillende plaatsen naast of na elkaar ontwikkeld. Inmiddels zijn de pioniers hun preventiebeleid aan het doorontwikkelen en zijn veel (schuldhulpverlenende) organisaties en gemeenten die op dit vlak nog niets deden de eerste stappen aan het zetten.

Met de door lector dr. Nadja Jungmann en drs. Frauke van Iperen geschreven SchuldPreventiewijzer willen we iedereen die aan de slag wil met schuldpreventie op weg helpen. Door gebruik te maken van wetenschappelijke inzichten uit de gedragsleer bieden we organisaties die al een eind op streek zijn handvatten voor doorontwikkeling. De toelichting op het belang van schuldpreventie moet hulp bieden aan diegenen voor wie schuldpreventie nog onbekend terrein is. De SchuldPreventiewijzer bestaat uit een strategisch stuk en een concreet stappenplan om een bijdrage te leveren aan het ontwikkelen van lokaal preventiebeleid".

Het resultaat is met ingang van vandaag te raadplegen onder deze link. De website biedt een schat aan uit de praktijk gegrepen voorbeelden waardoor hopelijk kan worden voorkomen dat hetzelfde wiel in Nederland meerdere malen wordt uitgevonden met alle daaraan verbonden vermijdbare kosten.

Turbulentie rondom wetsvoorstel gemeentelijke schuldhulpverlening; hoe een half ei dreigt te verworden tot een lege dop

Op 3 februari 2011 is de tweede nota van wijziging bij het wetsvoorstel 32 291 aan de Tweede Kamer gezonden.

In artikel 2 vervalt het vierde lid, waarin werd benoemd welke onderdelen de gemeenteraad moet opnemen in het plan voor schuldhulpverlening. Het plan wordt op die manier een vrije oefening waarin gemeenten de schuldhulpverlening op verschillende wijze kunnen en ongetwijfeld ook zullen gaan invullen. Hoe minder, hoe beter; de eerste klap is een bezuinigde daalder waard. Schuldhulpemigratie blijft daarmee voor wie verhuizing kan betalen (net als trouwens Wsnp-emigratie) een te overwegen optie. Ik acht het ongewenst dat er geen minimumvoorwaarden voor het plan worden benoemd onder het mom van flexibiliteit. Intergemeentelijke rechtsongelijkheid wordt hiermee in de hand gewerkt. Volgens dit principe zou je ook de bijvoorbeeld ook de WWB met een wetswijziging laten verworden tot een lege dop waarbij iedere gemeente individueel mag gaan bepalen hoe het geld wordt verdeeld en wie er nog wat krijgt.

In artikel 3 lid 2 wordt vervolgens geheel in strijd met het eerder gepostuleerde vrijheids-, blijheids- principe dat in artikel 2 de reden is de minimumeisen te laten vervallen toch een inhoudelijke bepaling gegeven. De gemeente kan schuldhulpverlening in ieder geval weigeren in geval een persoon “al eerder” gebruik heeft gemaakt van schuldhulpverlening.

Deze bepaling is in het licht van het schrappen van artikel 2 lid 4 nodeloos en zal in de hand werken dat gemeenten meer mensen niet helpen. In de praktijk van de Wsnp is de tien jaarstermijn van artikel 288 lid 2 sub d Fw zonder hardheidsclausule evident onrechtvaardig. Zie ook mijn eerdere bijdrage “Tien jaar wachttijd voor herhaalde toelating Wsnp zonder hardheidsclausule is veel te lang”.

In het minnelijk traject wordt echter in het wetsvoorstel niet eens een maximum wachttermijn genoemd; "al eerder" is in tijd niet afgebakend. Kennelijk laat de “vrijheids-, blijheidsbenadering” van dit kabinet ook toe iemand voor dertig of meer jaar uit te sluiten van schuldhulp en hem daarmee in de staat van Verelendung door te laten tobben (op het gevaar af dat daarmee het ontstaan van een onderklasse wordt bevorderd). Dat is pas echt bezuinigen! Ik schreef over dit heilloze voornemen dat sinds de verkiezingscampagnes in de lucht hing eerder: “Een termijn van tien jaar voor het minnelijk traject is moedwillige verlating van een hulpbehoevende (zie artikel 255 Wetboek van Strafrecht), omdat wij dan mensen in grote problemen gedurende een lange periode in de steek laten waarbij moet worden voorzien dat daardoor de familiedrama's en de diepe wanhoop die generaties doorwerkt zullen toenemen, vergelijk bijvoorbeeld het boek Het Pauperparadijs. Wij weigeren toch ook geen medische zorg aan mensen met longkanker of aan mensen die te dik zijn. Of komt dat nog in het "eigen schuld dikke bult"-tijdperk dat voor ons ligt?”

Verleden week zijn door de SP twee amendementen bij het wetsvoorstel 32 291 ingediend. Voorstel is dat er een nieuw artikel 4a komt waarin een zogenaamde breed moratorium mogelijk is indien dat noodzakelijk is in het kader van de schuldhulpverlening. Voor deze optie leek eerder een kamermeerderheid aanwezig te zijn maar ik moet nog zien of het CDA daarin persisteert gelet op een opmerking van Tweede Kamerlid Sterk de evaluatie van de pilot van de KBvG en de Kredietbank Nederland in Friesland te willen afwachten en de pilot waarvan niemand weet wat die inhoudt van de commerciële Stichting Preventie Problematische Schuldsituaties waarover sommige leden van de commissie aanvankelijk aan het jubelen sloegen als alternatief voor het LIS voordat zij wist waar het over ging. Zie ook mijn “Mededeling leden vaste Kamercommissie SZW – Urgent”

Het relevante gremium vertrouw ik ermee bekend dat ik geen voorstander ben van een breed moratorium in deze vorm, aangezien ik voorzie dat debiteuren en schuldhulp vervolgens zes maanden achteruit gaan leunen en schuldeisers in hun rechten worden bekort zonder daar iets voor terug te krijgen.

De SP heeft ook een amendement ingediend in de vorm van artikel 6a waarin een schuldeisers wordt verplicht binnen drie weken te reageren na een daartoe strekkend verzoek van de gemeente. Dit vind ik een interessante en originele gedachte die dan wel als pendant moet hebben dat ook de gemeente vervolgens binnen bepaalde termijnen actie moet ondernemen; in de huidige niet zelden deporabele toestand van de gemeentelijke hulpverlening voorzie ik dat zulks niet haalbaar is. Alleen maar crediteuren klem rijden en daarvoor niets teruggeven is in mijn visie even onevenwichtig als een breed moratorium.

Mij benieuwt ook of de staatssecretaris ermee gaat dreigen bij aanvaarding van de amendementen het wetsvoorstel –dat inmiddels toch al tot een praktisch lege dop is gemaakt- in te zullen trekken.

 In plaats van de beoogde "grote sprong voorwaarts" dreigt het voorstel op zijn best te zullen leiden tot "pas op de plaats" maar vermoedelijk tot het terugdraaien van de klok. Samen met Nadja Jungmann ben ik momenteel bezig een idee uit te werken, waarover U binnenkort onder meer op dit weblog nog meer zult horen, teneinde binnen het wetsvoorstel toch te kunnen komen tot invulling van het begrip schuldhulp zodanig dat ingezetenen meer wordt aangeboden dan een lege dop.

Voor alle documentatie bij het wetsontwerp, zie deze link

dinsdag 8 februari 2011

Vragen in Gemeenteraad Twenterand over Stadsbank Oost Nederland

Zie deze link

Commentaar volgt. Maar misschien willen leden van de Linkedin Groep hierover ook hun licht laten schijnen?

donderdag 3 februari 2011

'Check je geld"

"Veel Nederlandse risicojongeren zitten tot over hun oren in de schulden en dat maakt hulpverlening aan deze groep lastig. De Groningse Kredietbank, hulpverleningsinstantie Elker en het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting Nibud ontwikkelden daarom 'Check je geld!'. Het lespakket wordt donderdag in Utrecht gepresenteerd. Vier vragen aan Annemarie Koop van het Nibud.

1) Hoeveel jongeren zitten in de schulden?
„In Nederland hebben zo'n 80.000 risicojongeren in de jeugdhulpverlening, van 15 tot 26 jaar, vaak forse, schulden.”

2) Hoe komt dat?
„Ze zijn doorgaans laag opgeleid. Deze jongeren zitten vaak niet meer op school en hebben ook geen stabiele situatie thuis. Via onderwijs zijn ze dus moeilijk te bereiken en van huis uit zijn ze niet goed financieel opgevoed. Dan ligt er nog een kans bij de hulpverlening.”

3) Waarom moeten hulpverleners ze financieel opvoeden?
„Zolang jongeren schulden hebben, is het moeilijk om op andere terreinen hulp te bieden. Ze komen bijvoorbeeld vanwege een verslaving of seksueel misbruik in de hulpverlening terecht, maar hun schulden hebben eigenlijk acute urgentie en staan echte hulp in de weg. Of de jongeren krijgen hulp bij hun verslaving, maar kunnen daarna nog steeds niet met geld uit de voeten. Hulpverleners helpen wel met schuldeisers, maar dan is het eigenlijk al te laat. Deze jongeren moeten eerder leren hoe ze moeten omgaan met geld.”

Vindplaats Telegraaf

woensdag 2 februari 2011

Kredietbank Rotterdam: "stabiliseren" tot de debiteur erbij neer valt

Op de door mij zeer gewaardeerde Linkedin Groep Schuldinfo wordt doorgeschreven over de werkwijze van de Kredietbank Rotterdam. Ik haal met instemming enkele passages aan van Mr. Arthur Bletterman:

"... bij mijn weten is het nooit de bedoeling van de Gedragscode Schuldregeling geweest om mensen in budgetbeheer te nemen en het daar dan verder maar bij te laten, zonder ook maar enige poging tot het bereiken van een oplossing met de schuldeisers te ondernemen en zonder ook maar één cent van het gereserveerde geld aan de schuldeisers uit te betalen. Als dat het beleid is, dan is dat naar mijn mening zonder meer in strijd met de gedragscode. Het heeft niets met schuldhulpverlening te maken. Het landelijke pijnpunt zit hem echter in het gebrek aan contact met de schuldeisers in de stabilisatiefase. De gedragscode schrijft in beginsel voor dat er pas in fase 2 (120 dagen model) aan de schuldeisers kenbaar wordt gemaakt dat er sprake is van schuldhulpverlening. Aan die fase kwam men in geen van de voorbeelden in de reportage toe. Als dan verder alle afloscapaciteit ingepikt wordt door de kredietbank, dan is dat inderdaad vragen om moeilijkheden en is het geen wonder dat de schulden oplopen. Dit is echter niet acceptabel. Ik pleit ervoor dat er juist in een zo vroeg mogelijk stadium een kennisgeving naar de schuldeisers uitgaat, zodat zij weten dat er sprake is van schuldhulpverlening. In de kennisgeving zou ook in het kort het op maat gesneden plan van aanpak moeten staan om voor deze klant een oplossing te bereiken (dus geen vier regelig standaardbriefje).

Intussen lijkt het mij een goed idee dat de verantwoordelijke wethouder in Rotterdam, aangespoord door een kritische gemeenteraad, onmiddellijk actie gaat ondernemen om verdere wantoestanden bij de KBR te voorkomen. Een ruimhartig schadevergoedingsbeleid kan onderdeel uitmaken van zijn of haar actie".

"Budgetbeheer zou een middel moeten zijn om stabiliteit te bereiken, maar het lijkt soms wel een doel op zich te zijn geworden. Men noemt het schuldhulpverlening, maar dat is het natuurlijk niet. Het misleidende zit hem in het feit dat volgens de (nu verouderde) NEN norm 8048 budgetbeheer een van de producten is binnen het fenomeen 'integrale schuldhulpverlening'. Het komt er op neer dat een instelling met een beroep op die norm kan beweren aan integrale schuldhulpverlening te doen door te volstaan met het product budgetbeheer en zonder ook maar iets aan de feitelijke schulden te doen (dat is namelijk een ander product). Het is een voorbeeld van verkokerd, ambtelijk denken dat aan de burger niet uit te leggen is, maar dat desondanks grote invloed heeft op de beleidsmakers. Het lijkt erop dat de directeur van de KBR ook op die manier redeneert".

Van meet af aan heb ik ook op dit weblog ervoor  gewaarschuwd dat stabilisatie geen doel op zichzelf mag worden om een vals positief beeld van het aantal geslaagde gevallen te kunnen geven, maar dat mensen met problemen effectief moeten worden geholpen. De Kredietbank Rotterdam doet dat in veel gevallen niet, sterker nog ik vraag mij af in hoeveel gevallen de Kredietbank tot enig contact met schuldeisers komt. Het is de dwaasheid gekroond contact met crediteuren zo lang mogelijk uit te stellen om de 120 dagen-termijn te halen die vervolgens leidt tot een mislukt traject. Crediteuren moeten direct in kennis worden gesteld dat schuldhulpverlening is gestart onder gelijktijdig verzoek pas op de plaats te maken waarna vlot een minnelijk traject wordt ingezet dat vervolgens vlot toeleidt naar het wettelijk traject indien mogelijk.

Van vragen in de gemeenteraad is mij nog niet gebleken. Kennelijk is er geen interesse voor het feit dat de Kredietbank mensen in problemen laat tobben en toekijkt terwijl hun problemen steeds groter worden. Ook van de NVVK mag verwacht worden dat deze zich expliciet uitspreekt over de vraag hoe debiteuren moeten worden behandeld vanaf dag 1 inclusief de communicatie met de debiteur wat wel en niet mag worden verwacht en een standpunt uitspreekt over de manier waarop de Kredietbank Rotterdam mensen (niet) helpt. De NVVK is geen belangenclub voor broddelende schuldhulpverleners maar moet leading en richtinggevend zijn in de zorg voor kwaliteit van de schuldhulpverlening. Alleen zo heeft de NVVK bestaansrecht op langere termijn.

Ik hoop ook dat de wet gemeentelijke schuldhulpverlening er snel komt en gemeenten vervolgens goede beleidsplannen ontwikkelen. Ik hoop ook dat dan niet de quasi-slimme oplossingen van externe adviesbureaus breed worden gevolgd om de wet zo minimaal mogelijk uit te voeren. Het past voorts binnen een verwerpelijke stroming binnen de wereld van de schuldhulpverlening de debiteur zoveel mogelijk rechtsmiddelen te onthouden waarmee hij kan afdwingen dat hij krijgt waarop hij recht heeft en een vergoeding ontvangt wanneer zijn pretense "hulp"verlener geen hulp verleent maar hem  verder de vernieling in laat draaien.

Als de wet er is dan zal ook moeten worden toegezien op de kwaliteit van de door de gemeenten aan SZW aan te leveren gegevens. Ik schrijf al jaren dat de cijfers van de NVVK geen volledig beeld gebven, terwijl niet duidelijk is in hoeverre deze van gemeente tot gemeente vergelijkbaar zijn, zie link.
Van de NVVK mag ook in dit opzicht worden verwacht dat haar leden betrouwbare gegevens genereren waarop vervolgens deugdelijk beleid kan worden gebaseerd. Waren die gegevens over Rotterdam bekend, dan werd duidelijk dat het daar gewoonte is mensen kapot te stabiliseren en geen hand toe te steken om  hun problemen op te lossen terwijl die mensen in de veronderstelling worden gebracht dat hun problemen wel worden opgelost en pas geleidelijk ontdekken dat er na het intakegesprek niets gebeurt en crediteuren gewoon (en terecht) doorgaan met  het aandraaien van de duimschroeven bij een debiteur van wie voor crediteuren onbekend blijft of hij niet wil of niet kan. De werkwijze van de KBR leidt er ook toe dat crediteuren nodeloze kosten maken en ook wat dat betreft zou ik verwachten dat crediteuren en hun incassospecialisten -zoals de KBvG- aandacht vragen voor deze verwerpelijke wijze van hulpverlening die voor hen schade veroorzaakt. Ook jegens de crediteur is de hulpverlener gehouden tot behoorlijke informatievoorziening teneinde verdere schade voor de crediteur te beperken.

Wat Rotterdam doet leidt niet tot daadwerkelijk stabiliseren; de hulpverlener staat daar te kijken terwijl de debiteur verzuipt en heeft dan ook nog de impertinentie laconiek uit te dragen dat de wereld nu eenmaal zo in elkaar zit dat het normaal is dat mensen tijdens de schuldhulpverlening verder in de problemen raken.

De werkwijze van de gemeente Rotterdam is ook een zwaar argument waarop er geen moratorium in het minnelijk traject moet komen aangezien de hulpverlening dan nog langer achterover leunt waarna na ommekomst van de termijn de debiteur ontdekt dat er niets is opgelost: een adempauze die niet toeleidt naar een oplossing is onterechte vakantie voor de hulpverlening, opzettelijke misleiding van de debiteur die denkt dat hij geholpen wordt en misplaatste ontwapening van de crediteur van wie een concessie wordt verwacht zonder dat deze daar iets voor terugkrijgt.

Als de afloscapaciteit vervolgens grootschalig zou worden ingepikt als vergoeding voor begeleiding bij stabilisering die nergens toe leidt, is sprake van kwakzalverij en flessentrekkerij. Beide verschijnselen zijn in het Wetboek van Strafrecht gekwalificeerd als een strafbaar feit. Nader onderzoek is noodzakelijk hoe de KBR in dit opzicht handelt.

Als de gemeente Rotterdam bestuurlijk onvoldoende draagkrachtig is om paal en perk te stellen aan de verwerpelijk werkwijze van de KBR, dan zal elders de bestuurlijke kracht moeten worden gezocht om dit schrijnende probleem op te lossen. Een gemeentelijke instelling die veel geld kost en niet bijdraagt aan het welzijn van de burgers behoort geen bestaansrecht te hebben, a fortiori niet in een tijd waarin de broekriem moet worden aangehaald. "The status quo is not sustainable. Change must take place"!