"De vraag is of het saneren van de schulden door het aangaan van de lening bij DSB een omstandigheid vormt die aan toewijzing van een minnelijke schuldregeling danwel schuldsaneringsverzoek in de weg staat. De rechtbank acht het aangaan van deze saneringslening aan de zijde van verzoekers niet verwijtbaar. Aan de zijde van DSB is de rechtbank van oordeel dat de zorgplicht van DSB jegens verzoekers met zich meebracht dat DSB verzoekers naar schuldhulpverlening had dienen te verwijzen. Door de verstrekking van een saneringskrediet met een looptijd van 20 jaar, gedurende welke tijd verzoekers bijna al hun vrije bestedingsruimte boven de beslagvrije voet dienden te gebruiken voor afbetaling aan de geldlening, werd aan verzoekers een last opgelegd waarvan DSB zich moest realiseren dat deze niet in redelijke relatie stond tot alternatieve mogelijkheden van schuldsanering. Daarmee staat vast dat DSB ten tijde van het aangaan van de lening niet te goeder trouw was. Om die reden is aan haar belangen minder gewicht toe te kennen dan aan die verzoekers".
Met deze korte klap in een procedure ex artikel 287a FW sloeg de Rechtbank Roermond de spijker op de kop en werden verzoekers toegelaten tot de WSNP in een vonnis van 6 oktober 2009. LJN BJ9355.