Over soberheid als gekozen levenswijze wordt de laatste jaren vaker gepubliceerd dan in het verleden. Na alle ongebreideld consumentisme wordt soberheid als levenskeuze meer aanvaardbaar.
Marieke Henselmans schrijft er al jaren over, maar de trend zet door. Over haar publicaties schreef ik al eerder in mijn bijdrage “Studeren zonder lenen”. Actueel is door de decembermaand is: “Hoor, wie klopt daar geld uit mijn zak” (Van Gennep Amsterdam 2006),
Ook Liesbeth Wytzes, vaste columnist op elsevier.nl, wijdt onder de titel “Zuinigheid, dat is het tegenwoordig helemaal” haar column aan de kunst van het bezuinigen op consumptieve uitgaven: “Ik heb besloten te gaan bezuinigen. Geen kleren meer tenzij die echt, echt nodig zijn – en dan hebben we het over de verre toekomst – geen dure make-upjes, geen nieuwe sieraden, zeker geen nieuwe auto, geen onbezonnen tripjes naar een leuke stad waar je vooral veel wilt winkelen. Nee, soberheid troef bij ons”.
Critischer en reflectiever is Dirk Geldof in “We consumeren ons kapot” Hij trekt vooral in Vlaanderen maand in maand uit volle zalen met lezingen en debatten over dit onderwerp.
Soberheid (matigheid) als christelijke deugd vinden we echter al terug in het Nieuwe Testament (en in de Catechismus van de Katholieke Kerk nr. 1809): De matigheid is de morele deugd die de aantrekkingskracht van de genoegens tempert en evenwicht brengt in het gebruik van de geschapen goederen. Ze verzekert de beheersing van de wil over de instincten en houdt de verlangens binnen de grenzen van de betamelijkheid. De matige persoon richt de strevingen van zijn zinnen op het goede, behoudt een gezonde bescheidenheid en "laat zich niet meeslepen door eigen zin en kracht om te wandelen naar de begeerten van zijn hart" (Sir. 5,2). De matigheid wordt dikwijls geprezen in het Oude Testament: "Loop niet achter uw begeerten aan en houd u ver van uw lusten" (Sir. 18,30). In het Nieuwe Testament wordt ze "bezonnenheid" of" soberheid" genoemd. Wij moeten "bezonnen, rechtvaardig en vroom leven in deze tijd" (Tit. 2,12).
Zouden andere universele opvattingen van de R.K. Kerk wellicht ook navolgenswaardig zijn?