maandag 28 april 2008

Roermond wijst ook twee uitspraken ex artikel 287a Fw

Op 24 april 2008 heeft de Rechtbank Roermond twee uitspraken over artikel 287a Fw gepubliceerd onder BD0426 en BD0432 (zie rechtspraak.nl).

In de eerste zaak waren 11 van 12 schuldeisers accoord. De enige weigeraar was de zoon van verzoekers. Zijn vordering op verzoekers was achtergesteld ten opzichte van de concurrente crediteuren. Het aanbod vond plaats in het kader van schuldregeling, waarbij naar verwacht 31% aan preferente en 15.5% aan concurrente schuldeisers zou worden uitgekeerd. De Rechtbank maakt in de uitspraak een gedetailleerde berekening van de opbrengst in minnelijk en wettelijk traject en concludeert dat de opbrengst in het wettelijk traject wordt begroot op 12,2% voor de concurrente crediteuren. De zoon wordt bevolen in te stemmen met de aangeboden schuldregeling. De Rechtbank komt bij de berekening van de opbrengst in het hoger traject hoger uit dan verzoekers.

In de tweede zaak tikte de Rechtbank de zaak af, omdat in het kader van de schuldregeling een preferente vordering van de belastingdienst werd meegenomen, waarvan verzoekster verklaarde niet te weten waarop deze betrekking had, terwijl tegen de aanslag geen rechtsmiddelen waren aangewend. De Rechtbank oordeelde, dat de twee weigerachtige crediteuren er belang bij hadden dat maatregelen waren genomen tegen de vordering van de fiscus, aangezien eliminatie van de vordering zou leiden tot verdubbeling van het aan de concurrente crediteuren aangeboden percentage. De schuldhulpverlenende instantie verklaarde ter zitting bekend te zijn met de bezwaren van verzoekster tegen de vordering maar het niet tot haar taak te rekenen daartegen actie te ondernemen.

De uitspraken behelzen voor de praktijk tenminste twee leermomenten:

1.Bij het request verdient het aanbeveling een berekening te voegen van de te verwachten opbrengst in het minnelijk en het wettelijk traject en daaraan de kanttekening toe te voegen, dat in het wettelijk traject de vergoedingssystematiek op afzienbare termijn zodanig zal worden gewijzigd, dat de berekening nog veel nadeliger uitvalt in het minnelijk traject.

2. Als een aanvrager een vordering betwist dient onderzocht te worden of specialistisch advies dient te worden ingewonnen om de hoogte van een vordering te beoordelen. Of overigens in het wettelijk traject de fiscale vordering nog te elimineren zal zijn gegeven het verstreken zijn van de bezwaartermijnen is te betwijfelen. Verzoeker en hulpverlener lijken zich in onvoldoende mate te hebben gerealiseerd dat de opgave van de schulden juist moet zijn, wil deze als basis voor de berekening van een aanbod kunnen dienen.

woensdag 23 april 2008

Rb Haarlem beveelt ook Belastingdienst tot medewerking ex artikel 287a Fw

De Rechtbank Haarlem heeft in meervoudige kamer bij vonnis van 23 april 2008 de belastingdienst bevolen een aanbod tot schuldregeling te aanvaarden. De belastingdienst weigerde, omdat de schuldhulpverlenende instantie, genaamd Deco, niet was gecertificeerd.

"Artikel 287a Fw bepaalt immers niet dat een schuldregeling als de onderhavige dient te worden uitgevoerd door een zogenaamde gecertificeerde instelling.4.5. De rechtbank is van oordeel dat de Belastingdienst in redelijkheid zijn instemming met de aangeboden regeling niet kon weigeren. Daartoe overweegt de rechtbank dat de aangeboden regeling erin voorziet dat aan de Belastingdienst als preferente schuldeiser het dubbele percentage -76%- is aangeboden van hetgeen aan concurrente schuldeisers is aangeboden, en, voorts, dat de Belastingdienst de enige schuldeiser is die haar instemming heeft geweigerd. Daar komt nog bij dat de Belastingdienst en [verzoeker], zoals ter zitting is komen vast te staan, voor wat betreft de hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteit nauwelijks van mening verschillen.

Ten overvloede wijst de rechtbank de Belastingdienst er op, dat ook gelet op het bepaalde in paragraaf 2a van de Leidraad invordering 1990 de Belastingdienst in redelijkheid zijn medewerking aan de schuldregeling niet had mogen onthouden".

De Belastingdienst krijgt met andere woorden van de rechtbank een dubbele tik op de vingers. Certificering wordt niet alleen in artikel 287a Fw, maar ook in de Leidraad Invordering niet genoemd als toetsingscriterium. Sallaint is bovendien, dat er nog geen certificering voor schuldhulpverlening bestaat. Het is in hoge mate te laken dat een met staatsmacht beklede instelling justitiabelen op deze wijze bejegent.

Haarlem komt wat later op gang met publiceren, maar is er meervoudig eens goed voor gaan zitten waarna een eigen en duidelijk geluid te horen is. De uitspraak is gepubliceerd op rechtspraak.nl onder BD0272.

Een gelijktijdige gevraagde voorlopige voorziening ex artikel 185 lid 4 Fw om door de belastingdienst te leggen loonbeslag te verbieden werd verboden bij gebrek aan belang, omdat inmiddels een dwangregeling was opgelegd. Deze uitspraak is gepubliceerd onder BD0274.

VGZ nu wel gedwongen mee in dwangregeling Rb Haarlem


Slaagde VGZ er in Maastricht nog in bij verstek het front te houden in een geval waarbij zij weigerde een aanbod tot schuldregeling te aanvaarden, bij meervoudig vonnis van de Rechtbank Haarlem van 23 april 2008 ging het voor VGZ mis … en dus eigenlijk voor de debiteur heel goed.

De casus was simpel. VGZ had EURO 432,65 te vorderen. Alle schuldeisers ad afgerond EURO 68.000,00 gingen accoord. VGZ had eerder in een nogal merkwaardige brief haar incassobeleid in geval van problematische schuldsituaties bekend gemaakt, van welk beleid onder meer deel uitmaakt de bepaling, dat tenminste 20% moet worden voldaan, waarbij het geboden percentage vanaf datum opgave binnen een termijn van 3 maanden volledig of middels een betalingsregeling van maximaal 6 maanden aan VGZ wordt afgerekend.

De Rechtbank maakte hier korte metten mee:
“De rechtbank stelt vast dat VGZ met een vordering van EURO 432,65 als enige schuldeiser het voor verzoekers onmogelijk maakt om voor hun schulden ad EURO 68.549,20 een schuldregeling te treffen. VGZ heeft door niet ter terechtzitting te verschijnen de mogelijkheid aan zich voorbij laten gaan om haar belang bij afwijzing van de schuldregeling te onderbouwen en toe te lichten. Mitsdien is niet gebleken dat VGZ een in deze procedure te respecteren belang heeft bij haar weigering. Het verzoek om VGZ te bevelen in te stemmen met de schuldregeling zal daarom worden toegewezen, met veroordeling van VGZ in de kosten”.

Bemoedigend is dat de Rechtbank Haarlem –evenals eerder de Rechtbank Rotterdam- niet stelt dat het bezwaarlijk is dat sprake is van een schuldregeling (en geen sanering), waarbij het dus enige tijd duurt voordat de crediteur het aangeboden bedrag krijgt uitgekeerd.

De vindplaats op rechtspraak.nl is LJN BD0260.

Nieuwe uitspraak gedwongen medewerking gepubliceerd Rechtbank Arnhem

Op 21 april 2008 heeft de Rechtbank Arnhem de financier Laser veroordeeld tot gedwongen medewerking als bedoeld in artikel 287a Fw met veroordeling van Laser in de kosten van het geding.

De argumentatie van Laser om niet accoord te gaan was zeer pover: “Laser Services gaat niet akkoord met het aangeboden akkoord omdat het verstrekte krediet niet is aangegaan voor de duur van 36 maanden. Voorts is Laser Services van mening dat het aangeboden percentage te laag is”.

Vraag rijst of deze financier bekend is met de VFN-gedragscode waarin wordt verwezen naar de NVVK-gedragscode. Aangenomen moet worden dat dit niet het geval is, anders waren beide argumenten niet gevoerd. De vraag rijst of een financier die pretendeert niet bekend te zijn met bindende regelingen die gelden voor financiers een vergunning voor kredietverstrekking moet hebben. Justitiabelen namelijk worden hiervan het slachtoffer.

De Rechtbank was snel klaar met de zaak: “De rechtbank komt tot de conclusie dat het belang dat Laser Services heeft bij het uitoefenen van de bevoegdheid tot weigering niet in een zodanige verhouding staat tot het belang van verzoekster dat Laser Services in redelijkheid tot het uitoefenen van de bevoegdheid tot weigeren heeft kunnen besluiten.Het verzoek om Laser Services te bevelen in te stemmen met de schuldregeling wordt daarom op grond van artikel 287a lid 5 Faillissementswet toegewezen”.

Het is jammer dat de uitspraak niet vermeldt hoe hoog de kostenveroordeling was.

De uitspraak is te vinden op rechtspraak.nl onder LJN: BC9921. Dit is de vierde uitspraak die de Rechtbank Arnhem over artikel 287a Fw publiceert. Hopelijk volgen andere rechtbanken dit voorbeeld.

Landelijk Informatiesysteem Schulden (LIS)

Uiteindelijk vond ik een document on line dat wat gerichter informatie geeft over de plannen om in het kader van branche-regulering te komen tot een landelijk informatiesysteem schulden. Gisteren zou in aanwezigheid van staatssecretaris Aboutaleb een convenant zijn ondertekend. Op de website van SZW is hierover (nog) niets te vinden.

De Nederlandse Vereniging van Banken meldt op haar website, dat op 22 april de initiatiefnemers de overeenkomst voor de start van het Landelijk Informatiesysteem Schulden (LIS) hebben getekend. Het LIS komt tot stand in samenwerking tussen de banken, financieringsmaatschappijen, energiebedrijven, woningcorporaties, gemeenten, Leger des Heils en schuldhulpverleners

Doelstelling is eerder te signaleren, dat een problematische schuldsituatie in ontwikkeling is en verergering van het probleem te voorkomen door (verdere) kredietverlening tegen te houden. Dit is een goede gedachte, waar echter juridisch nogal de nodige haken en ogen aan vast zitten, ook op het terrein van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Ook benieuwt het mij hoe een kredietverstrekker die ondanks een negatieve LIS-melding toch krediet verstrekt door sancties zal worden getroffen. In mijn visie dient in dat geval het uitkeringspercentage op nul te worden vastgesteld.

Zie http://www.nvb.nl/scrivo/asset.php?id=115660 en http://www.nd.nl/Document.aspx?document=nd_artikel&id=112768

Naschrift:
katholieknederland.nl claimt aan de wieg van dit plan te hebben gestaan, zie
http://www.katholieknederland.nl/actualiteit/2008/detail_objectID669753_FJaar2008.html Het zou interessant zijn te vernemen, of de ondertekenaars dit ook zo zien. Met dank aan Dr. I.P. van Rossen die mij op dit bericht attendeerde.

vrijdag 18 april 2008

Geen moratorium voor stabilisatiefase voorafgaand aan minnelijk traject

De Rechtbank ’s-Hertogenbosch heeft in een uitspraak van 8 april 2008 (LJN: BC9694) een moratorium ex 287b Fw geweigerd in een geval waarbij eerst een stabilisatietraject moest worden ingezet en daarna kon worden bezien of een minnelijk traject schuldhulpverlening kon worden ingezet. Het betrof een geval van een man die altijd bij zijn moeder had gewoond, totdat zij niet meer voor hem kon zorgen (en nadien was overleden): “Volgens verzoeker mist hij de vaardigheden om zelfstandig te wonen en heeft hij behoefte aan woonbegeleiding. Verzoeker is bang dat hij zijn vaste dienstbetrekking verliest door de ontruiming”. De man had vanaf het moment dat hij zelfstandig woonde, praktisch nooit vaste lasten betaald. De schuldhulpverlening was van mening dat eerst beschermingsbewind moest worden aangevraagd en woonbegeleiding moest worden ingezet. Daarna kon worden bezien of een minnelijk traject haalbaar was.

De kernoverweging luidt als volgt:

“Uit de wetsgeschiedenis is af te leiden dat de wetgever de voorlopige voorziening ex artikel 287b Fw heeft gecreëerd om het buitengerechtelijk traject te versterken en om verzoeker de gelegenheid te geven om de goede trouw meer gefundeerd te laten blijken. De Minister van Justitie heeft het als volgt verwoord: “artikel 287b (biedt) een grondslag voor een voorlopige voorziening met een andere strekking, namelijk het bereiken van een soort adempauze die de schuldenaar in staat moet stellen het minnelijk traject voort te zetten om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden te bereiken c.q. af te ronden. “ Daarnaast heeft de schuldenaar gedurende die periode de gelegenheid zijn goede trouw meer gefundeerd te laten blijken, zodat de rechter mede op basis van het verslag van artikel 287b, zesde lid, na afloop beter kan beslissen over een dwangakkoord of over toelating tot de schuldsaneringsregeling, indien dat nog nodig is.? (Kamerstukken I 2006-2007, 29 942, C, p. 5).Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat in onderhavige zaak thans geen ruimte is voor het geven van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 287b Fw. Een aan een minnelijk traject voorafgaand stabilisatietraject is naar het oordeel van de rechtbank immers niet gelijk te stellen met het minnelijk traject zelf. Uit het verzoekschrift en uit het behandelde ter zitting blijkt dat de gevraagde adempauze door verzoeker niet is bedoeld om het minnelijk traject voort te kunnen zetten, maar om een traject in te kunnen gaan ter stabilisatie van de situatie van verzoeker. Pas na afloop van dat traject kan onderzocht worden of een minnelijk traject mogelijk is. Daarnaast valt niet in te zien hoe het stabilisatietraject kan dienen om bedoelde goede trouw aan de zijde van verzoeker meer gefundeerd te laten blijken. Hieruit volgt dat de rechtbank het verzoek tot de voorlopige voorziening zal afwijzen”.

Ook het verzoek WSNP is direct afgewezen, omdat aanvrager (nog?) niet in staat was aan zijn verplichtingen te voldoen.

Het is bijzonder jammer, dat de rechtbank de zaak op deze wijze heeft opgelost. Aan een minnelijk traject gaat dikwijls een stabilisatiefase vooraf. Het beschermingsbewind had met een paar weken ingesteld kunnen zijn (aannemend dat de aanvrager daaraan had meegewerkt, hetgeen in het vonnis niet heel duidelijk aan de orde komt, maar ook als het zo zou zijn, dat de aanvrager een oud verwend kind is met het gedrag van een hufterige hork, dient dit probleem met tact te worden aangepakt). Daarna had fluks een eerste begin kunnen worden gemaakt met het minnelijk traject. De Rechtbank had om te beginnen de behandeling van het verzoek een maand kunnen aanhouden om de verzoeker de gelegenheid te geven als daad van goede wil stappen te zetten om het beschermingsbewind in te zetten: dat had trouwens de schuldhulpverlenende instantie ook tegelijk met het verzoek ex artikel 287b Fw al kunnen inzetten. Het valt te betwijfelen of de wetgever heeft beoogd, dat er door een restrictieve interpretatie van het begrip “minnelijk traject” in een tragisch geval als onderhavige geen mogelijkheid van een adempauze zou moeten zijn om orde op zaken te stellen.

Ook de crediteur –zijnde een woningcorporatie uit Eindhoven- had vanuit haar maatschappelijke functie de zaak wat anders kunnen insteken dan in de vorm van een incassotraject; bestaat er daar geen woonmaatschappelijk werk?

De formulering van de afwijzing toelating WSNP laat toe om een nieuw verzoek in te dienen als er orde op zaken is gesteld. Misschien dat zulks na ontruiming niet meer nodig is, als eenmaal beschermingsbewind is ingesteld en in alle rust een minnelijk traject kan worden opgezet. Het is zeer te hopen, dat voor deze debiteur, wiens ontreddering uit het vonnis kan worden afgelezen, een zodanige structuur kan worden gemaakt, dat er in ieder geval financieel orde op zaken komt.

Naar verluidt, als gevolg van een vergissing van de wetgever staat er tegen deze uitspraak geen hoger beroep open. Zie Hof Amsterdam 25 februari 2008 LJN: BC8437, door mij besproken in “Hof Amsterdam wijst hoger beroep niet ontvankelijk verklaring door rechtbank af” http://observatrix.blogspot.com/2008/04/hof-amsterdam-wijst-appel-niet.html

vrijdag 11 april 2008

Interview Mevrouw Karabulut Elsevier-congres 2 april 2008 on line

Elsevier heeft het interview met Tweede Kamerlid Mevrouw S. Karabulut op haar website geplaatst, waarmee het jubileumcongres op 2 april 2008 is geopend. Dit congres was druk bezocht door hulpverleners, schuldeisers en andere bij schulpverlening betrokken partijen.

Het interview is zeer interessant, omdat mevrouw Karabulut ingaat op de antwoorden van de staatssecretaris Aboutaleb en Minister Bos op haar (kamer)vragen betreffende het programma Zembla en aankondigt naar aanleiding daarvan nieuwe vragen te zullen stellen.

Enkele citaten:

"Kredietverstrekkers en bedrijven die producten aanbieden op afbetaling hebben een zorgplicht. Dat houdt in dat ze een kredietwaardigheidstoets uit moeten voeren: nagaan of de consument met diens inkomen de lening of het product kan aflossen. Dat blijkt niet voldoende te werken. De kredietwaardigheidstoets is weliswaar verplicht, maar de normen – dus kijken naar wanneer mag je iemand wel of niet iets verstrekken – zijn te open. Scherp deze aan en geef deze een wettelijke verankering"

"Er zijn gigantische wachtlijsten. Mensen kloppen aan voor hulp, maar worden niet geholpen. Met als gevolg dat ze in handen belanden van malafide schuldhulpverleningsbedrijven. De schuldhulpverlening moet vooral niet worden overgelaten aan particuliere louche bedrijven, het moet een overheidstaak blijven. De staatssecretaris moet zijn verantwoordelijkheid nemen, inzichtelijk maken hoe lang die wachtlijsten zijn en hoe hij die hopelijk dit jaar wegwerkt".

"Er is extra geld vrijgemaakt voor schuldhulp. Maar het kabinet kiest er voor om dat geld in een grote gemeentefondspot te doen, waardoor gemeenten vrij zijn in de besteding ervan. Onbegrijpelijk. Het geld wordt gestopt in bouwprojecten en dergelijke, terwijl is zo veel behoefte is aan schuldhulpverlening. Het geld moet worden geoormerkt. Helaas steunen andere coalitiepartijen dat voorstel niet"

"Ook de minister van Sociale Zaken stelt dat het verbieden van leenreclames is in strijd is met de wet- en regelgeving. Waar een wil is, is een weg. Door een simpele aanpassing van de wet zijn die reclames zo van de buis"..


"Consumenten zijn zelf verantwoordelijkheid, maar zij laten zich niet goed informeren en weten niet dat ze bij bijvoorbeeld de aankoop van een televisie aan het einde van de rit bijna het dubbele moeten betalen. Dat staat niet op de brochure. Ik vind dat deze duidelijk weer dienen te geven wat het uiteindelijke te betalen eindbedrag is".


Zie http://www.zorgwelzijn.nl/nieuws/id5601-111821/sp_kwaliteit_en_kwantiteit_schuldhulpverlening_kan_veel_beter.html

donderdag 10 april 2008

In Utrecht wordt heel wat gewacht

Uit het verslag van het Algemeen Overleg vam 6 maart 2008, vastgesteld op 8 april 2008, van de vaste Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid met staatssecretaris Aboutaleb over de kabinetsreactie op de Armoedemonitor 2007:

Vragen van de heer Spekman (PvdA):
“Is de staatssecretaris bekend met de wachtlijstproblematiek bij de schuldhulpverlening? Als mensen in Utrecht zeven maanden op hulp moeten wachten, brengt dit hen toch in grote nood? Mensen moeten na een hulpvraag toch gevrijwaard worden van claims van schuldeisers?”

Antwoord van de Staatssecretaris:

– Onderzocht wordt of gemeenten verplicht kunnen worden om schuldhulpverlening aan te bieden. Ook daarbij is eventueel prioritering voor gezinnen met kinderen aan de orde.
– De signalen over de wachtlijsten bij de schuldhulpverlening zijn niet eenduidig. De staatssecretaris heeft al een landelijk onderzoek hiernaar aangekondigd. Het kabinet heeft 37 mln. extra beschikbaar gesteld opdat gemeenten mensen met schuld kunnen helpen. Voor het
komende debat hierover stuurt de staatssecretaris de Kamer een brief met zijn opvattingen.

In de dagelijkse praktijk van de schuldhulpverlening wordt steeds duidelijker, dat er in Nederland geen gelijk recht op schuldhulpverlening bestaat, omdat gemeenten zelf kunnen uitmaken daaraan meer of minder middelen te besteden. Enerzijds kost schuldhulpverlening als werksoort steeds meer door de toegenomen aan het product gestelde eisen, anderzijds is over gemeenten het aantal personen met een schuldenproblematiek bepaald niet gelijk verdeeld.

Politiek en bestuurlijk is aandacht nodig om te verzekeren, dat iedereen in Nederland een gelijke toegang tot schuldhulpverlening van aanvaardbare kwaliteit binnen een aanvaardbare termijn. In de certificeringsvoorwaarden zou een verplichting tot doorverwijzing moeten worden opgenomen in die gevallen dat een schuldhulpverlenende instelling niet tijdig aan deze eisen kan voldoen.

In Utrecht is overigens niet alleen de wachttijd in het minnelijk traject lang, maar ook de doorlooptijd bij de Rechtbank vanaf de indiening tot de mondelinge behandeling van een WSNP-verzoek.

dinsdag 8 april 2008

Hof Amsterdam wijst appel niet-ontvankelijk verklaring door Rechtbank af

We onderbreken even de uitzendingen van het Utrechtse front voor ander breaking news.

Het Hof Amsterdam heeft namelijk een hoger beroep ingesteld tegen een niet ontvankelijk verklaring door de Rechtbank Utrecht (alweer!) niet ontvankelijk verklaard. Ook werd een hoger beroep ingesteld tegen een afwijzing van een moratorium-verzoek (ex artikel 287b Fw) niet ontvankelijk verklaard.

In de eerste zaak zei de appellant een verzuimbrief van de Rechtbank om nadere inlichtingen te verstrekken niet te hebben ontvangen.

In de tweede zaak was een beroep op een moratorium in het minnelijk traject bij dreigende ontruiming door een woningcorporatie afgewezen en werd gesteld dat sprake was van een omissie in de wet, doordat geen hoger beroep was mogelijk gemaakt.

In beide gevallen maakte het Hof korte metten met het beroep door te verwijzen naar de wet (artikel 360 Fw) die noch in geval van niet-ontvankelijk verklaring noch in geval van afwijzing van een moratorium hoger beroep heeft open gesteld.

In de eerste zaak (behandeld door KBR Utrecht) is ook als knelpunt aangevoerd de lange wachttijd die opnieuw moet worden afgewacht bij indiening van een aangevuld verzoek. Het hof geeft daarover een vingerwijzing door aan te geven dat "dit probleem in goed overleg tussen de Kredietbank en de Rechtbank zou kunnen worden opgelost". KBR Utrecht moet dus maar gauw een afspraak maken, aangezien inmiddels heel Nederland weet dat de Rechtbank Utrecht aanzienlijke wachttijden heeft voor behandeling van WSNP-verzoeken.

In de tweede zaak is het Hof met appellant van mening dat de zaak door Rechtbank verkeerd is behandeld en ten onrechte is aangemerkt als een verzoek ex artikel 287 lid 4 Fw (voorlopige voorziening ("VoVo"). Het Hof oordeelt hieraan niets te kunnen doen nu de wetgever in het amendement hiervoor geen voorziening heeft gegeven.

Beide zaken vragen om Kamervragen en hersteloperaties. Hoort, zegt het voort!

De uitspraken zijn op rechtspraak.nl te raadplegen onder nummer BC8595 en BC8437

woensdag 2 april 2008

Thema-nieuwsbrief jongeren Modus Vivendi verschenen

Gisteren verscheen de digitale nieuwsbrief van Modus Vivendi. Het was ditmaal een themanummer over jongeren, waarin ook een artikel van mijn hand geplaatst werd met de titel:
"Jongeren en schulden: hoe diep kun je gaan?", zie http://minnelijk.modusvivendi.nl/index.php?option=com_content&task=view&id=150&Itemid=

Modus Vivendi levert met deze nieuwsbrief een belangrijke bijdrage aan de theorievorming en de kwaliteitsverbetering van de praktijk van de schuldhulpverlening.

Het onderwerp jongeren is internationaal een punt van zorg. Voor de kinderen van de babyboomers was alleen het beste goed genoeg, wat armoede is weten zij niet en een zuchtje wind is genoeg om hen om ver te blazen.

In de Zwitserse Thurgauer Zeitung verscheen gisteren onder de titel: "Jugendliche vor Schulden schützen" een artikel waarin wordt gemeld dat 30% van de jongeren in Zwitserland schulden zou hebben, zie http://www.thurgauerzeitung.ch/default2.cfm?vDest=vtArtikel&id=361584&b1=verschuldung&o1=&b2=&o2=&b3=&re=&ra=AM&da=&startrow=1

Op het jubileumcongres Actualiteiten Schuldhulpverlening van Elsevier in de Jaarbeurs van vandaag zal aan dit onderwerp zeker ook aandacht worden besteed en zult U daarover op dit weblog nader vernemen.